Klimaatverandering en de wadden
waterkwaliteit
Gevolgen voor waterkwaliteit
Klimaatverandering kan gevolgen hebben voor de kwaliteit van het water van oceanen en zeeën. Deze nemen jaarlijks zo'n twee miljard ton koolstof op uit de atmosfeer. Als de concentratie koolstofdioxide (CO2) in de atmosfeer groter wordt, nemen de oceanen meer CO2 op. Dit kan niet eindeloos doorgaan, want de oceanen beginnen verzadigd te raken met CO2 en dreigen daarmee hun bufferfunctie bij de absorptie van CO2 uit de atmosfeer te verliezen.
Algen leggen een deel van het CO2 vast onder invloed van zonlicht (fotosynthese). Een ander deel van het CO2 lost in water en vormt koolzuur, waardoor het water zuurder wordt (een lagere pH of zuurgraad krijgt). Dit betekent dat bij hogere concentraties CO2 in de atmosfeer de zuurgraad van de oceanen zal dalen. Dit effect kan de groei van algen bedreigen, waardoor de capaciteit van oceanen om CO2 vast te leggen kan afnemen. Het zuurdere water is ook slecht nieuws voor al het oceaanleven met kalkskeletten, zoals algen, mosselen, zeesterren en koralen.
Klimaatverandering kan de waterkwaliteit ook op andere manieren beïnvloeden. Voor de Waddenzee geldt bijvoorbeeld dat er vaker zoet water zal worden gespuid, vanuit het IJsselmeer en de polders. Dat zal vooral in de winter het geval zijn, omdat er dan meer regen wordt verwacht. De plotselinge fluctuaties in de toevoer van zoet water, kunnen nadelig zijn voor de waterkwaliteit van de Waddenzee. Water dat vanuit de polders in de Waddenzee terecht komt, kan bovendien meststoffen bevatten.


