Europese aal / paling

De Europese aal behoort tot de familie van de Anguillidae. De aal brengt een groot deel van zijn leven door in het zoete water en trek voor zijn voortplanting naar de zee. Je kunt de aal vinden in de wateren van Europa en Noord Afrika. In Nederland komt de aal in bijna alle watertypen voor. De belangrijkste eis die de aal aan zijn leefgebied stelt, is dat dit vanuit zee bereikbaar moet zijn zodat hij vrij kan bewegen tussen het zoete en zoute water.

 

Volksnaam

Biezenbijter, blinker, schoenveter of tetting

Voedsel

De aal is een echte alleseter. Zo staan er bijvoorbeeld insecten, weekdieren en kreeftachtigen op zijn menu.

Uiterlijk

De aal herken je aan zijn slangachtige vorm. Het uiterlijk van de aal is afhankelijk van zijn levensstadium. Zo is hij slangachtig als larfje, doorzichtig als glasaal en tijdens de paaimigratie veranderen zijn ogen en kleur.

Mannetjes worden zo’n 30 tot 45 centimeter. De vrouwtjes verblijven soms veel langer in het zoete water, waardoor zij ook veel groter kunnen worden dan een mannetje. Ze worden dan ook minimaal 55 centimeter. De maximale lengte van de aal is ongeveer 1,55 meter


Foto: Jelger Herder

 

De reis van de aal

De aal begint zijn leven waarschijnlijk in de Sargassozee in de westelijke Atlantische oceaan. Het is een vermoeden, niemand ter wereld heeft ooit gezien hoe en waar de aal paait! Het kleine larfje begint vervolgens aan een lange reis over de Atlantische oceaan. Het larfje wordt hierbij geholpen door de oceaanstromingen. Na een tot drie jaar verschijnt het larfje als glasaal (net als glas is hij helemaal doorzichtig!) voor de Europese kusten om vervolgens de binnenwateren in te trekken. Helaas lukt dit vaak niet op eigen kracht. De glasalen stuitten op diverse dammen en dijken en/of zijn niet sterk genoeg om tegen de stroming op te zwemmen.


De jonge aal blijft in het zoete water tot dat hij klaar is om zich voort te planten. Een aal in de opgroeifase wordt een rode aal genoemd. Dit zijn de dieren die de meeste mensen kennen als aal of paling. Wanneer de aal weer terug naar zee zwemt, wordt hij een schieraal genoemd. De aal veranderd dan van kleur en krijgt een metaalachtige glans. Ook de ogen van de aal veranderen, ze worden namelijk veel groter! De aal zwemt duizenden kilometers terug naar zijn geboortegrond om zich voort te planten.

Foto: Jelger Herder

 

Eigen kracht

De intrek van glasaal is de afgelopen jaren enorm afgenomen. Er wordt geschat dat er tegenwoordig nog maar 5% van de hoeveelheid uit de jaren ’60 en ’70 de binnenwateren probeert op te trekken. De Vismigratierivier maakt het voor de glasaal mogelijk om weer op eigen kracht naar het zoete water te zwemmen. In goede jaren kunnen er wellicht miljoenen glasaaltjes de Nederlandse wateren binnentrekken.

 

De Zoological Society of London maakte een leuk filmpje over de reis van de Europese Aal!


 

Verder lezen:

>> Deze vissen worden blij van de Vismigratierivier
>> Daarom hebben we een Vismigratierivier nodig

>> Zo werkt de Vismigratierivier 

>> De 5 belangrijkste kenmerken van de Vismigratierivier
>> Vismigratierivier beleven